Ik voel me belabberd. Ik wil niet meer. Ik kan niet meer. Ik zit er helemaal doorheen. Nee wacht, een kleine correctie: ik kan het wel. Maar wat ben ik het ongelofelijk zat! Wat een hel… Een paar dagen geleden wou ik een blog schrijven over de voordelen van kanker (die volgt waarschijnlijk binnenkort), over het enorme scala aan bijzondere momenten, het ontmoeten van nieuwe mensen en ga zo maar door. Ik zei toen zelfs dat ik dat niet had willen missen. Nu snap ik niet meer wat me toen bezielde. Het wordt niet makkelijker. Nog 4 keer is niet weinig. Ik raak er niet aan gewend. Ik vind het vreselijk. Elke keer overgeven (en dat waren er gister zes!) voel ik het glazuur van mijn tanden afspringen. Elke haar in mijn mond irriteert me meer dan ooit.
Op zich deed ik het best goed deze week. Ondanks de vermoeidheid heb ik een bijzondere week gehad, waarover later meer. Meestal heb ik zondag al de hele dag allemaal speeksel in mijn keel wat ik de hele dag uit moet spugen. Al een soort voorbereiding op de misselijkheid. Deze keer niet. Ik was relaxed, ook de maandag. Maar de dinsdag blijft gewoon kl*te. In het ziekenhuis komt de misselijkheid al opzetten. Vier uur en drie keer kotsen later weer naar huis om eerst uren te slapen. Daarna weer even op, maar dat was geen succes. Overgeven, overgeven, overgeven. Zelfs water blijft niet binnen. Gelukkig wel goed geslapen en ’s ochtends vooral zo lang mogelijk in bed blijven. Nog even in de waan dat er niks aan de hand is. Ik leer ondertussen zeer regelmatig tegen mezelf te zeggen ‘ik doe het goed, ik ben trots op mezelf’. En dan op woensdag het volgende stressmoment: de spuit. Ik haat die spuit! Een naald met een dikke drappige vloeistof die bijzonder veel pijn doet. Een naald in mijn veilige haven, mijn thuis. Een naald op mijn allerzwakste dag waar ik geen enkele vorm van stress kan verdragen. Ja, ik haat die spuit. Bert prikt me tegenwoordig want zelf durf ik al helemaal niet meer. Ik huil al als de spuit in zicht komt, raap mezelf weer bij elkaar en geef over zodra het doosje opengaat. Daarna verstop ik me met mijn ogen dicht in Matthijs zijn schouder. Tien minuten later zit het er weer op en lijkt het zo onbenullig. En toch lukt het me niet het te rationaliseren. Het is gewoon een druppel te veel in de al veel te volle emmer. En ook al wordt het lichamelijk gezien niet elke keer erger, ik ben het zo vreselijk spuugzat. Die vier keer lijken nog een eeuwigheid en gelukkig weet ik dat ik het over vier dagen weer helemaal zie zitten, maar nu even niet.


